Ekster, koekoek en kleefkruid: regieloze meta-strategieën

Maatschappelijke sturing in een robuuste samenleving


Laatste update: 9 januari 2026

Auteur: Wynsen Faber

Abstract

De hedendaagse samenleving oogt als in hoge mate complex, verweven en robuust. Maatschappelijke vraagstukken zoals ondermijning, veiligheid, leefbaarheid, migratie, gezondheid en duurzaamheid laten zich niet begrijpen als lineaire problemen met eenduidige oorzaken of als kwesties waarvoor één dominante actor verantwoordelijk kan worden gehouden. Het zijn emergente uitkomsten van langdurige, op elkaar inwerkende processen, waarin vele publieke en private actoren, vaak zonder expliciete coördinatie, gezamenlijk patronen en effecten produceren. Dit artikel vertrekt vanuit de stelling dat de overheid onder deze omstandigheden normatief noch praktisch in staat is en ook niet geacht mag worden om dergelijke vraagstukken zelfstandig op te lossen.

In plaats daarvan is een andere benadering van maatschappelijke beïnvloeding nodig, die aansluit bij de wijze waarop samenlevingen feitelijk ontstaan en evolueren. De overheid opereert daarbij niet als centrale regisseur, maar als één van de actoren in een context waarin macht, kennis en invloed zijn verspreid.

Onderdeel van die benadering zijn drie regieloze metastrategieën: de eksterstrategie, de koekoekstrategie en de kleefkruidstrategie. Deze strategieën beogen geen centrale coördinatie, maar beïnvloeden maatschappelijke dynamiek door zich te mengen onder ogenschijnlijk willekeurige actoren, routines en communicatiestromen; door subtiele ingrepen in selectieprocessen, relaties en alledaagse praktijken. Deze strategieën voeren terug op meerdere theoretische noties. Het resultaat is een raamwerk voor niet-hiërarchische en regieloze beïnvloeding van een systemische samenleving.

    1. Samenleving als systeem: emergentie, robuustheid en metasturing

    Het metagovernance-perspectief sluit aan bij systeemtheoretische inzichten waarin samenlevingen worden opgevat als complexe, adaptieve en robuuste systemen[1][2]. Dergelijke systemen zijn in staat verstoringen te absorberen en zich aan te passen zonder hun kernstructuur prijs te geven. Juist deze robuustheid verklaart waarom grootschalige en goedbedoelde beleidsinterventies op complexe maatschappelijke vraagstukken vaak slechts beperkte, vertraagde of onvoorspelbare effecten sorteren. De samenleving laat zich niet eenvoudig uit evenwicht brengen. Die veerkrachtigheid is positief, maar beperkt tegelijkertijd haar doelgerichte stuurbaarheid.

    Maatschappelijke verandering voltrekt zich in zulke systemen niet via lineaire causaliteit. Het is de emergente uitkomst van talloze lokale beslissingen, interpretaties en interacties tussen actoren die handelen vanuit uiteenlopende belangen en rationaliteiten. Zoals Horst Rittel en Melvin Webber laten zien in hun analyse van wicked problems, zijn oorzaak en gevolg daarbij niet eenduidig te scheiden en ontbreekt een exclusieve probleemhouder[3]. Het gedrag van het systeem als geheel laat zich niet reduceren tot individuele intenties; maatschappelijke systemen genereren eigen patronen, routines en verwachtingen die het handelen van actoren mede sturen.

    Deze systeemlogica is fundamenteel non-lineair. Kleine impulsen kunnen grote effecten sorteren, terwijl ingrijpende interventies soms nauwelijks zichtbaar doorwerken. Interventies worden daarom niet simpelweg uitgevoerd, maar geïnterpreteerd, vertaald of geneutraliseerd door de context waarin zij landen. Sociale systemen reageren selectief en beschikken over een vorm van systeemimmuniteit. Dat verklaart waarom directe en lineaire sturing in de praktijk vaak “weglekt”, en waarom klassieke beleidsmaatregelen bij complexe vraagstukken zo vaak slechts marginale effecten hebben.

    Binnen de bestuurskunde wordt deze realiteit beschreven als een gedeelde machtscontext of shared-power world[4]. Daarin is niemand volledig de baas en oefent iedereen slechts gedeeltelijke invloed uit. Publieke waarde ontstaat in zo’n context niet door hiërarchische bevelen of controle, maar door interactie, onderhandeling en gezamenlijke betekenisgeving tussen actoren. Besturen verschuift daarmee van commandovoering naar het vormgeven van condities waaronder collectieve actie kan ontstaan[5].

    2. Sturingsopvattingen: van beheersing naar aansluiting

    Tegen de achtergrond van deze systeemlogica komt de klassieke sturingsopvatting onder druk te staan. In veel politiek-bestuurlijke praktijken wordt sturing nog steeds opgevat als een doel-middelrelatie: maatschappelijke problemen worden benaderd als beheersbare vraagstukken, oorzaken als identificeerbaar en interventies als instrumenten met voorspelbare effecten. De overheid formuleert doelen, zet middelen in en verwacht dat het systeem zich overeenkomstig gedraagt.

    Deze opvatting blijkt echter steeds minder houdbaar in een samenleving die functioneert als een emergent systeem. Niet omdat bestuur faalt, maar omdat de veronderstellingen onder deze sturingslogica niet aansluiten bij de wijze waarop maatschappelijke processen feitelijk verlopen. Interventies zijn nooit contextloos. Zij worden altijd opgepakt, vertaald en opnieuw ingebed in bestaande praktijken, belangen en routines. Sturing kan daardoor niet langer worden begrepen als het beheersen van uitkomsten, maar hooguit als het beïnvloeden van voorwaarden.

    Dit vraagt om een fundamentele herijking van sturingsopvattingen. De kernvraag verschuift van “hoe grijpt de overheid in?” naar “hoe kan beïnvloeding plaatsvinden op een wijze die congruent is met een meervoudige, gedistribueerde en zelforganiserende samenleving?”. Sturing krijgt daarmee een ander karakter: meervoudig in plaats van eenduidig, indirect in plaats van direct, relationeel in plaats van hiërarchisch, en expliciet zonder de illusie van volledige controle.

    Binnen dit denkkader wordt metasturing een logisch en realistisch alternatief voor klassieke sturing. Metasturing veronderstelt niet dat de overheid afstand doet van invloed, maar dat zij haar rol herpositioneert. In plaats van te sturen op gedrag of uitkomsten, richt zij zich op het vormgeven van de context waarin andere actoren handelen: spelregels, interactieruimtes, narratieven en betekeniskaders. De overheid opereert daarbij niet buiten het systeem, maar als onderdeel ervan; haar invloed is per definitie indirect, tijdelijk en afhankelijk van aansluiting.

    Tegen deze achtergrond worden regieloze strategieën niet zichtbaar als een zwaktebod, maar als een consequente operationalisering van een andere sturingsopvatting. De eksterstrategie, koekoekstrategie en kleefkruidstrategie zijn vormen van sturing. Ze passen bij een samenleving die niet maakbaar is, maar wel beïnvloedbaar — mits sturing wordt begrepen als het creëren van voorwaarden waaronder maatschappelijke dynamiek zichzelf in bepaalde richtingen kan ontwikkelen.

    3. Van sturingsopvatting naar strategische logica

    Wanneer sturing wordt opgevat als metasturing, verschuift niet alleen de rol van de overheid, maar ook het type strategie dat als effectief en legitiem kan worden beschouwd. In een samenleving die functioneert als een emergent, robuust en gedeeld systeem, verliezen instrumenten die uitgaan van centrale coördinatie, directe causaliteit en uitvoeringsmacht hun vanzelfsprekendheid. Wat daarvoor in de plaats komt, is geen nieuw instrumentarium in klassieke zin, maar een andere strategische logica van handelen.

    Strategieën die passen bij metasturing kenmerken zich niet door het vermogen om gedrag af te dwingen, maar door hun vermogen om zich te hechten aan bestaande maatschappelijke dynamiek. Zij werken niet via instructie of controle, maar via selectie, betekenisgeving en adoptie. Dat betekent dat zij alleen effectief kunnen zijn wanneer zij aansluiten op belangen, routines en handelingslogica’s van andere actoren, en wanneer zij ruimte laten voor herinterpretatie en eigenaarschap buiten de overheid zelf.

    Binnen deze logica is invloed per definitie indirect. Effecten ontstaan niet doordat een maatregel wordt uitgevoerd zoals bedoeld, maar doordat actoren ervoor kiezen bepaalde ideeën, praktijken of perspectieven over te nemen en te integreren in hun eigen handelen. Succesvolle strategieën veronderstellen daarom geen centrale regie over uitvoering, maar accepteren juist dat verspreiding, vertaling en toepassing plaatsvinden buiten het bereik van de sturende actor. De prijs daarvan is verlies aan controle; de opbrengst is maatschappelijke werking.

    Daarmee verschuift het strategisch vraagstuk van “hoe organiseren we de uitvoering?” naar “hoe creëren we condities waaronder gewenste dynamiek kan ontstaan?”. Strategie wordt in deze benadering een vorm van contextinterventie: het zichtbaar maken van handelingsopties, het activeren van relaties, het verschuiven van betekeniskaders en het beïnvloeden van selectieprocessen. Niet door maatschappelijke processen te behandelen alsof zij als een machine centraal aanstuurbaar zijn, maar door aan te sluiten bij de wijze waarop zij feitelijk tot stand komen: via de interacties, keuzes en betekenistoekenningen van vele, deels autonome actoren.

    Tegen deze achtergrond zijn de drie strategieën die hierna worden besproken geen tactische vondsten of communicatieve trucs, maar concrete uitwerkingen van deze strategielogica. Zij veronderstellen geen uitvoeringsmacht, geen afdwingbaarheid en geen centrale coördinatie. Ze maken gebruik van dezelfde mechanismen waardoor maatschappelijke verandering zich ook zonder overheidsingrijpen voltrekt.

    3. De eksterstrategie: verleiding door glans

    3.1 Kernidee en strategische logica

    De overheid heeft bij de aanpak van maatschappelijke vraagstukken een sterke voorkeur voor het gericht benaderen van actoren om afspraken te maken en de uitvoering te coördineren. In plaats van uit te gaan van de actoren die feitelijk noodzakelijk zijn voor beïnvloeding, kiest zij daarbij vaak voor partijen waarmee zij al vertrouwd is, met het convenant als basis voor veronderstelde succesvolle samenwerking. Dit soort ‘contracten’ fungeert regelmatig als een schijnoplossing voor systeemproblemen. Zij wekken het beeld van samenwerking en daadkracht, terwijl zij in de praktijk slechts een klein, voorzichtig en risicomijdend deel van het reeds vertrouwde actorveld mobiliseren. Wat ooit bedoeld was als bindende afspraken, verwordt daarmee tot een bestuurlijk artefact dat vooral de grenzen van bereidheid markeert, maar niet de omvang van maatschappelijke beïnvloeding die nodig is om daadwerkelijk effect te sorteren.

    Juist omdat maatschappelijke dynamiek niet primair tot stand komt via expliciete afspraken tussen een beperkte groep actoren, vraagt beïnvloeding om andere vormen dan coördinatie en uitvoering. De eksterstrategie is zo’n regieloze beïnvloedingsstrategie. Zij vertrekt niet vanuit het maken van afspraken of het organiseren van samenwerking, maar vanuit vrijwillige selectie en toe-eigening. In plaats van vooral bevriende actoren gericht te benaderen, creëert de sturende actor een etalage van aantrekkelijke elementen: ideeën, inzichten, data, symbolen, methodieken, financieringsvormen of narratieven. Deze ‘glimmertjes’ worden niet opgelegd, maar zichtbaar gemaakt, zodat uiteenlopende actoren ze op eigen initiatief kunnen oppakken en integreren in hun eigen handelen.

    Actor(en) die met deze etalage in aanraking komen, bepalen zelf of — geredeneerd vanuit hun taken of betrokkenheid — iets voor hen waardevol is. Wanneer zij een glimmertje oppikken en meenemen naar hun eigen organisatie, netwerk of praktijk, gebeurt dat vanuit hun eigen belangen, ratio’s en agenda’s. Juist daardoor is de kans groot dat het glimmertje niet als extern beleid wordt ervaren, maar wordt geïntegreerd in bestaande routines en besluitvormingsprocessen: aansluiting die door de actor zelf wordt gemaakt.

    De eksterstrategie operationaliseert daarmee metasturing. Zij beïnvloedt niet wat actoren doen, maar wat zij als aantrekkelijk, relevant of bruikbaar ervaren. De sturende actor houdt geen regie over toepassing of uitkomst. De prijs is verlies aan controle; de opbrengst is maatschappelijke werking via zelfselectie.

    3.2 Psychologische en sociologische verankering

    De werking van de eksterstrategie sluit nauw aan bij inzichten uit de sociale psychologie. Mensen en organisaties beschikken over een beperkte aandachtscapaciteit en richten die vooral op wat aansluit bij hun bestaande doelen en overtuigingen[6]. Kahneman beschrijft dit als selectieve aandacht: wat betekenisvol lijkt binnen het eigen referentiekader krijgt cognitieve prioriteit. De eksterstrategie vecht niet tegen deze selectiviteit, maar benut haar bewust.

    Daarnaast speelt sociaal bewijs een rol. Cialdini laat zien dat actoren hun gedrag mede afstemmen op wat zij anderen zien doen. Wanneer glimmertjes zichtbaar worden opgepakt door peers of gelijkgestemde organisaties, neemt hun aantrekkingskracht toe zonder dat sprake is van dwang[7].

    In navolging van Parsons, en uitgewerkt binnen de systeemtheorie van Luhmann, kan de eksterstrategie sociologisch worden begrepen als het aanbieden van zogenoemde symbolisch gegeneraliseerde communicaties[8][9]. Daarmee worden communicaties bedoeld die functioneren als overdraagbare symbolische ruilmiddelen, zoals geld, macht of invloed, en die niet vastliggen op één specifieke toepassing, maar door verschillende actoren in uiteenlopende contexten betekenisvol kunnen worden geïnterpreteerd. De ‘glimmertjes’ die in de eksterstrategie worden aangeboden functioneren op vergelijkbare wijze: zij ontlenen hun werking niet aan een voorgeschreven betekenis, maar aan de waarde die actoren er zelf aan toekennen.

    De etalagefunctie van de eksterstrategie is daarbij cruciaal. Zoals een speelgoedcatalogus geen koopverplichting creëert maar verleiding organiseert, zo maakt de eksterstrategie handelingsopties zichtbaar zonder ze op te leggen. Niet iedere actor voelt zich door hetzelfde aangesproken. Dat is juist de kracht van de strategie. Wat wordt geselecteerd, sluit per definitie aan bij de belangen, logica’s en ratio’s van de actor die het oppakt. Of die betekenis overeenkomt met de intentie van de aanbieder is van ondergeschikt belang. In die zin zijn de glimmertjes generaliseerbaar: ze bieden verschillende actoren verschillende aanknopingspunten. De maatschappelijke werking van geselecteerde communicaties is daardoor niet lineair voorspelbaar, maar kan wel leiden tot aanzienlijke emergente effecten.

    Aanvullend kan de eksterstrategie worden begrepen vanuit memetisch denken. Daarin verspreiden ideeën, beelden en begrippen zich via sociale interactie als culturele patronen. De glimmertjes functioneren daarbij als memes: ze worden opgepikt, aangepast en verder verspreid doordat zij aantrekkelijk, herkenbaar en eenvoudig overdraagbaar zijn binnen bestaande betekeniskaders. Niet de intentie van de aanbieder, maar de mate waarin een idee resoneert met de logica en belangen van actoren bepaalt of het zich verder verspreidt.

    3.3 Regieloze werking en systeemdynamiek

    Kenmerkend voor de eksterstrategie is dat na adoptie alle regie vervalt. De sturende actor bepaalt niet hoe het glimmertje wordt ingezet, aangepast of gecombineerd met andere praktijken. Het glimmertje wordt onderdeel van een groter maatschappelijk systeem en draagt — samen met andere geadopteerde elementen — bij aan een emergent effect dat niet te herleiden is tot één bron.

    Dit maakt de eksterstrategie fundamenteel anders dan instrumentele beleidsimplementatie of verborgen beïnvloeding. Zij is geen paard-van-Troje-strategie. Wat wordt aangeboden is transparant. Niet de inhoud is onvoorspelbaar, maar het systeemeffect dat ontstaat wanneer meerdere actoren zelfstandig tot adoptie overgaan. De overheid fungeert hier niet als uitvoerder of regisseur, maar als ontwerper van aantrekkelijke contexten.

    3.4 Wanneer is de eksterstrategie passend?

    De eksterstrategie is met name geschikt als vorm van maatschappelijke beïnvloeding in situaties waarin:

    • onduidelijk is wie de relevante actoren zijn;
    • directe toegang tot actoren ontbreekt of politiek en organisatorisch gevoelig ligt;
    • exploratie belangrijker is dan precisie;
    • men maatschappelijke energie wil mobiliseren zonder over uitvoeringsmacht te beschikken;
    • variatie en lokale toe-eigening niet als risico, maar als voorwaarde voor effectiviteit worden gezien.

    Zij werkt als een vorm van “schieten met hagel”: niet door gericht te mikken, maar door een rijk aanbod te creëren waaruit actoren zelf selecteren.

    3.5 Gerichte beïnvloeding zonder gedragsvoorschrift

    Een terugkerende vraag bij regieloze strategieën is of er nog wel sprake kan zijn van sturing wanneer actoren glimmertjes, eieren of kleefzaadjes op hun eigen manier interpreteren en verwerken. Als iedereen er “zijn eigen draai” aan geeft, is er dan nog sprake van gerichte beïnvloeding, of verdwijnt sturing in willekeur?

    Deze vraag raakt aan een diepgeworteld idee over wat sturing is. In klassieke sturingsopvattingen betekent sturen: doelen vaststellen, middelen inzetten en gedrag of uitkomsten beïnvloeden op een voorspelbare manier. Interpretatieverschillen gelden daarin als ruis die moet worden beperkt. In dat licht lijkt regieloze beïnvloeding al snel op loslaten of zelfs laissez-faire.

    De strategieën die in dit artikel worden beschreven vertrekken echter vanuit een andere opvatting van sturing. Zij richten zich niet op het voorschrijven van gedrag, maar op het beïnvloeden van interpretatiekansen. De overheid stuurt niet wat actoren moeten doen, maar welke betekenissen, handelingsopties en relaties beschikbaar komen waaruit actoren kunnen kiezen. Sturing verschuift daarmee van causaliteit naar waarschijnlijkheid.

    Dat betekent niet dat het “niet uitmaakt” wat de overheid aanbiedt. Integendeel. Juist omdat er geen correctie, afdwinging of bijsturing achteraf plaatsvindt, wordt het ontwerp van glimmertjes, eieren en kleefzaadjes cruciaal. Regieloze strategieën vragen geen minder professionele overheid, maar een overheid die preciezer ontwerpt: met scherp inzicht in actoren, betekeniskaders, institutionele logica’s en bestaande spanningen.

    De ruimte voor interpretatie betekent bovendien niet dat alles even waarschijnlijk is. Glimmertjes, eieren en kleefzaadjes zijn geen lege hulzen. Zij bevatten richtinggevende grammatica. Net als symbolisch gegeneraliseerde media – zoals geld of macht – laten zij vrijheid in toepassing, maar sturen zij wél het type afweging dat actoren maken. Data nodigt uit tot meten en vergelijken, labels tot positionering en reputatieafweging, narratieven tot morele duiding, formats tot vergelijkbare verantwoording. Wat open is, is niet betekenisloos.

    In die zin bevinden regieloze strategieën zich tussen twee uitersten. Zij zijn concreter dan abstracte middelen als geld, die richting geven zonder inhoud. Tegelijkertijd zijn zij minder vastgelegd dan regels, vergunningen of voorschriften, die gedrag afdwingen maar weinig interpretatieruimte laten. Juist deze tussenpositie maakt emergente beïnvloeding mogelijk: betekenis wordt gestructureerd zonder haar vast te leggen.

    Daarmee is regieloze sturing geen vrijblijvende vorm van beleid. Zij is intentioneel, maar niet deterministisch. De overheid beïnvloedt de condities waaronder interpretatie plaatsvindt, zonder de interpretatie zelf te beheersen. Het effect is geen optelsom van gehoorzaamheid, maar het ontstaan van nieuwe relaties tussen ideeën, praktijken en actoren. Dat deze relaties niet volledig voorspelbaar zijn, is geen tekortkoming, maar een noodzakelijke voorwaarde voor maatschappelijke werking in een robuuste, zelforganiserende samenleving.

    4. De koekoekstrategie: gerichte beïnvloeding via strategische adoptie

    4.1 Kernidee en strategische logica

    De koekoekstrategie is een regieloze beïnvloedingsstrategie die uitgaat van gerichte adoptie door zorgvuldig geselecteerde actoren. In tegenstelling tot de eksterstrategie, waarin onduidelijk is wie de etalage zal passeren en wat zal worden opgepakt, vertrekt de koekoekstrategie vanuit een doelbewuste keuze van ‘nesten’: organisaties, netwerken of sleutelactoren die — gegeven hun positie, belangen en capaciteiten — een betekenisvolle bijdrage kunnen leveren aan het gewenste maatschappelijke effect.

    De koekoeks-metafoor wordt hier nadrukkelijk beperkt gebruikt. Zij verwijst uitsluitend naar het principe van adoptie: het opnemen en grootbrengen van een idee door een andere actor, vanuit diens eigen belang en verantwoordelijkheid. De koekoekstrategie veronderstelt, in tegenstelling tot de vogel waarvan zij haar naam leent, geen verdringing en geen uitschakeling van bestaande initiatieven — dus geen competitieve logica waarin één idee ten koste gaat van andere belangen. Integendeel: het ‘ei’ kan alleen duurzaam functioneren wanneer het wordt geïntegreerd in bestaande strategieën en praktijken van de adoptant. De kracht van de strategie ligt daarmee niet in overheersing, maar in vrijwillige internalisering.

    De sturende actor ontwikkelt geen maatregelen om zelf uit te voeren, maar ontwerpt interventies (‘eieren’) die aansluiten bij de strategische ambities, onzekerheden of reputatiebelangen van de adoptant. Het ‘ei’ wordt alleen uitgebroed wanneer de adoptant zélf de verbinding legt tussen het aangeboden element en het realiseren van de eigen doelen. De kern van de koekoekstrategie is daarmee niet overdracht, maar herdefinitie: het sturingsdoel wordt door de adoptant ervaren als een eigen belang.

    Net als bij de eksterstrategie vervalt na adoptie elke vorm van regie. Uitbroeden, grootbrengen en integreren zijn volledig de verantwoordelijkheid van de adoptant. De sturende actor vergroot zijn sturend vermogen niet door coördinatie, maar door strategische allocatie van andermans aandacht en capaciteit.

    4.2 Actorgerichtheid en selectieve inzet

    De koekoekstrategie veronderstelt diepgaand inzicht in het actorennetwerk rond een vraagstuk. Het identificeren van geschikte nesten vereist kennis van machtsposities, afhankelijkheden, strategische agenda’s en institutionele contexten. In bestuurskundige termen is de koekoekstrategie daarom sterk afhankelijk van actoren- en krachtenveldanalyses.

    Hier sluit het werk van Bryson direct op aan. In een shared-power world ontstaat invloed niet door formele bevoegdheid, maar door het slim verbinden van belangen[4]. De koekoekstrategie operationaliseert dit principe: zij grijpt niet aan op normatieve oproepen (“doe mee voor het algemeen belang”), maar op datgene waar de adoptant zelf complexiteit wil reduceren of waarde wil creëren.

    De strategie is nadrukkelijk geen machtsstrategie. Er is geen dwang, geen verplichting en geen hiërarchische afdwingbaarheid. Het ei wordt alleen opgenomen wanneer de adoptant concludeert dat het bijdraagt aan het realiseren van de eigen ambitie. Daarmee verschilt de koekoekstrategie fundamenteel van beleidsinstrumenten die naleving veronderstellen.

    4.3 Actorenkennis en onzekerheidsreductie als voorwaarde

    De koekoekstrategie veronderstelt diepgaand inzicht in het actorenveld en kan niet functioneren zonder dit analytische fundament. Het identificeren van geschikte ‘nesten’ is geen voorbereidende stap, maar een essentieel onderdeel van de strategie zelf. De sturende actor moet inzicht hebben in belangen, afhankelijkheden, strategische onzekerheden en institutionele logica’s van potentiële adoptanten. Alleen dan kan een ‘ei’ worden geformuleerd dat daadwerkelijk wordt herkend als eigen en aansluit bij bestaande handelingspraktijken. In dit opzicht is stakeholderanalyse geen ondersteunende techniek, maar een noodzakelijke voorwaarde voor strategisch handelen (vgl. Bryson).

    De werking van de koekoekstrategie berust niet op overtuiging of dwang, maar op het verlagen van onzekerheid waar organisaties in hun dagelijks handelen mee worstelen. Actoren nemen een ‘ei’ alleen op wanneer het hen helpt om grip te krijgen op vragen die voor henzelf al urgent zijn: hoe verantwoorden we dit naar toezichthouders? Hoe beperken we reputatierisico’s? Hoe voorkomen we dat interne doelen botsen met maatschappelijke verwachtingen? In dat opzicht fungeert het ‘ei’ niet als extra taak of verplichting, maar als een bruikbaar kader dat bestaande dilemma’s vereenvoudigt. Het biedt richting waar eerder ambiguïteit was, en maakt keuzes verdedigbaar zonder dat nieuwe afspraken of structuren nodig zijn. Juist daardoor ontstaat ruimte: cognitief, omdat niet alles opnieuw hoeft te worden doordacht, en organisatorisch, omdat handelen kan plaatsvinden binnen bestaande routines. Vanuit dit perspectief sluiten de effecten van de koekoekstrategie aan bij inzichten uit de gedragswetenschappen: actoren richten hun beperkte aandacht en middelen vooral op interventies die onzekerheid reduceren en handelingszekerheid vergroten[6]. Niet omdat zij worden overtuigd, maar omdat het alternatief — blijven laveren in onduidelijkheid — kostbaarder is.

    Juist deze combinatie van gerichte actorselectie en vrijwillige adoptie op basis van onzekerheidsreductie maakt de koekoekstrategie krachtig. Zij vergroot het sturend vermogen zonder coördinatielast en zonder de illusie van centrale regie. De sturende actor levert richting en betekenis; de adoptant levert capaciteit en uitvoering. Het maatschappelijke effect ontstaat niet door aansturing, maar doordat actoren ervoor kiezen het ei uit te broeden als onderdeel van hun eigen strategie.

    4.4 Psychologische en institutionele werking

    Psychologisch sluit de koekoekstrategie aan bij mechanismen van motivatie en betekenisgeving. Actoren investeren hun beperkte capaciteit voor informatieverwerking alleen in elementen die hen helpen onzekerheid te reduceren of strategische doelen te bereiken (vgl. Kahneman). Het koekoeksei wordt alleen geselecteerd wanneer het de cognitieve last verlaagt in plaats van verhoogt.

    De koekoekstrategie werkt omdat organisaties voortdurend bezig zijn met het beschermen van hun positie. Zij willen betrouwbaar overkomen, hun bestaansrecht veiligstellen en voorkomen dat zij later worden afgerekend op keuzes die vandaag worden gemaakt. Interventies worden daarom vooral aantrekkelijk wanneer zij helpen om reputatierisico’s te beperken, toekomstig toezicht te doorstaan of strategische keuzes beter te verantwoorden. Door hier expliciet op aan te sluiten, wordt het ‘ei’ niet ervaren als externe sturing, maar als een logisch hulpmiddel binnen de eigen koers. Het past bij wat organisaties toch al proberen te doen: continuïteit borgen, legitimiteit behouden en strategische ruimte creëren. Juist omdat het ‘ei’ deze bestaande afwegingen ondersteunt, kan het worden overgenomen zonder dat het voelt als beleidsbemoeienis van buitenaf.

    In termen van governance sluit dit aan bij Ostroms inzicht dat duurzame collectieve actie ontstaat wanneer actoren zelf verantwoordelijkheid nemen binnen gedeelde spelregels[5]. De koekoekstrategie activeert precies dit mechanisme, maar doet dat selectief en doelgericht.

    4.5 Regieloze werking en emergent effect

    Hoewel de koekoekstrategie gerichter is dan de eksterstrategie, is zij net zo regieloos. De sturende actor bepaalt noch het tempo, noch de vorm waarin het ei wordt uitgebroed. Integendeel: hoe sterker de adoptant het ei internaliseert en herinterpreteert, hoe groter de kans op duurzame werking.

    Het maatschappelijke effect ontstaat niet door één ‘ei’, maar door meervoudige, parallelle adopties in verschillende nesten. De samenhang tussen die adopties is niet centraal gecoördineerd en voor betrokken actoren vaak niet zichtbaar. Het uiteindelijke effect is emergent en niet herleidbaar tot afzonderlijke interventies. Dat de adoptant het ‘ei’ herinterpreteert en naar eigen inzicht vormgeeft, is geen bijwerking maar de kern van de strategie.

    4.6 Wanneer is de koekoekstrategie passend?

    De koekoekstrategie is met name geschikt wanneer:

    • relevante actoren wél te identificeren zijn, maar niet direct aanstuurbaar;
    • belangen sterk uiteenlopen en een beroep op ‘het algemeen belang’ onvoldoende werkt;
    • strategische of reputatiebelangen van actoren een hefboom vormen;
    • gerichte versnelling nodig is zonder uitvoeringsmacht;
    • langdurige adoptie belangrijker is dan snelle zichtbaarheid.

    Waar de eksterstrategie verkent wie wil meebewegen, veronderstelt de koekoekstrategie dat dit al grotendeels bekend is en richt zij zich op waar en hoe interventies kunnen landen.

    5. De kleefkruidstrategie: beïnvloeden via alledaagse verspreiding

    5.1 Kernidee en strategische logica

    De kleefkruidstrategie is een regieloze beïnvloedingsstrategie die uitgaat van passieve blootstelling, nabijheid en herhaalde aanraking. In plaats van actoren te verleiden met aantrekkelijke glimmertjes (ekster) of gericht te activeren via strategische adoptie (koekoek), beïnvloedt de kleefkruidstrategie maatschappelijke dynamiek door ideeën, normen of handelingsperspectieven mee te laten liften met bestaande interacties, routines en infrastructuren.

    Zoals kleefkruid zich onopvallend hecht aan voorbijgangers, reizen in deze strategie bepaalde betekenissen mee met alledaagse handelingen: een formulier, een scherm, een bord, een standaardzin. Zonder dat er een besluit nodig is, ontstaat beïnvloeding door herhaling en nabijheid. Wat vaak genoeg terugkomt, wordt normaal.

    De strategische kracht van de kleefkruidstrategie ligt niet in zichtbaarheid of overtuiging, maar in cumulatie. Het effect ontstaat door herhaling en verspreiding over tijd en contexten.

    5.2 Psychologische en sociologische verankering

    De kleefkruidstrategie sluit aan bij inzichten uit de sociale psychologie over hoe gedrag en opvattingen zich geleidelijk vormen. Mensen raken vertrouwd met wat zij vaak tegenkomen. Wat herhaaldelijk zichtbaar is, voelt al snel normaal en vanzelfsprekend. Dat effect wordt in de psychologie onder meer beschreven als mere exposure: herhaalde blootstelling vergroot acceptatie, ook zonder dat iemand daar bewust voor kiest.

    Daarnaast spelen processen mee waarbij eerdere signalen het denken subtiel sturen. Door bepaalde woorden, beelden of handelingsopties steeds in dezelfde context aan te bieden, worden ze mentaal geactiveerd en sneller als passend ervaren. Dit staat bekend als priming. In combinatie leiden deze mechanismen tot norminternalisatie: gedragingen en opvattingen verschuiven niet zozeer door overtuigende argumenten, maar doordat bepaalde keuzes of perspectieven steeds opnieuw als vanzelfsprekend aanwezig zijn. Zoals Kahneman laat zien, verloopt dit soort beïnvloeding grotendeels buiten bewuste afwegingen om[6].

    Dit inzicht sluit aan bij wat binnen de sociale marketing wordt beschreven als normatieve beïnvloeding: duurzame gedragsverandering ontstaat niet primair door overtuigen, maar doordat bepaald gedrag zichtbaar, herkenbaar en sociaal gangbaar wordt. In het werk van Philip Kotler wordt sociale marketing expliciet opgevat als het beïnvloeden van wat als ‘normaal’ geldt binnen een context, eerder dan het sturen van individuele keuzes[10].

    Daarnaast sluit de strategie aan bij het concept van keuzearchitectuur en nudging: door de context waarin keuzes worden gemaakt subtiel te structureren, veranderen patronen zonder dat alternatieven worden uitgesloten[11]. Cruciaal is dat de kleefkruidstrategie niet draait om het overtuigen van individuele mensen, maar om het langzaam veranderen van wat in een organisatie of samenleving als normaal gedrag wordt gezien.

    Sociologisch kan deze strategie worden begrepen als beïnvloeding van verwachtingsstructuren en routines binnen sociale systemen. In Luhmanns termen verschuift niet direct het gedrag, maar de communicatieve context waarbinnen gedrag betekenis krijgt. Wat vaak genoeg voorkomt, wordt normaal; wat normaal is, wordt zelden bevraagd (vgl. Luhmann).

    De kleefkruidstrategie is verwant aan inzichten uit de sociale en institutionele marketing. Niet in de zin van doelgerichte campagnes of gedragssturing, maar als benadering die uitgaat van normalisering, herhaalde blootstelling en betekenisvorming in context. Binnen de sociale marketing wordt al langer onderkend dat duurzame gedragsverandering zelden het gevolg is van overtuiging; zij ontstaat doordat bepaalde praktijken, beelden en taaluitingen vertrouwd en vanzelfsprekend worden. De kleefkruidstrategie radicaliseert dit inzicht door afstand te nemen van doelgroepdenken en individuele gedragsverandering, en zich te richten op collectieve verwachtingsstructuren en routines.

    5.3 Ontwerp, memorabiliteit en organische verspreiding

    De effectiviteit van de kleefkruidstrategie staat of valt met de wijze waarop boodschappen en perspectieven worden vormgegeven. Wat blijft ‘kleven’ is zelden complex of inhoudelijk uitputtend, maar juist eenvoudig, herkenbaar en symbolisch geladen. Humor, verrassing en visuele of talige scherpte vergroten de kans dat boodschappen niet alleen worden waargenomen, maar ook worden onthouden en doorgegeven.

    In tegenstelling tot strategieën die leunen op overtuiging of adoptie, werkt de kleefkruidstrategie via resonantie. Alleen wat aansluit bij bestaande waarden, emoties of zorgen krijgt voldoende betekenis om mee te reizen door verschillende contexten. Verspreiding vindt plaats via alledaagse sociale interacties, mond-tot-mondcommunicatie en digitale netwerken, zonder centrale regie of sturing. De kracht van de strategie zit niet in positionering of controle, maar in multiplicatie: hoe vaker een boodschap opduikt, hoe vanzelfsprekender zij wordt.

    5.4 Regieloze werking en systeemdynamiek

    De kleefkruidstrategie is bij uitstek regieloos. Er is geen moment van overdracht, geen adoptiebesluit en geen duidelijke uitvoerder. Invloeden verspreiden zich doordat zij zijn ingebed in bestaande structuren die toch al functioneren. Daarmee is de strategie robuust tegen weerstand: er is weinig om tegen te ageren, omdat er niets expliciet wordt gevraagd of opgelegd.

    Het maatschappelijke effect is uitgesproken emergent. Het is niet te herleiden tot afzonderlijke interventies en manifesteert zich vaak pas op langere termijn, in veranderende verwachtingen, taalgebruik of vanzelfsprekendheden. De keerzijde is dat de strategie niet geschikt is voor snelle of scherp afgebakende effecten. Zij werkt traag, maar diep.

    5.5 Wanneer is de kleefkruidstrategie passend?

    De kleefkruidstrategie is met name geschikt wanneer:

    • directe beïnvloeding politiek, juridisch of sociaal onwenselijk is;
    • normverschuiving belangrijker is dan gedragsverandering op korte termijn;
    • veel actoren betrokken zijn, maar individuele identificatie niet nodig of mogelijk is;
    • het vraagstuk vraagt om verankering in routines in plaats van besluiten;
    • weerstand waarschijnlijk is bij expliciete sturing.

    Zij is bij uitstek passend bij vraagstukken rond veiligheidscultuur, integriteit, duurzaamheid en leefbaarheid, waar verandering vooral ontstaat door wat als “normaal” wordt ervaren[12].

    6. Emergentie, synchroniciteit en het vergrote sturingsbereik

    In de voorgaande hoofdstukken is betoogd dat de ekster-, koekoek- en kleefkruidstrategie niet leiden tot directe, lineaire effecten, maar tot emergente maatschappelijke werking. Dat roept de vraag op waardoor die werking precies ontstaat. Niet alleen dat zij emergent is, maar welk principe door deze strategieën wordt geactiveerd.

    Dit hoofdstuk maakt expliciet welke mechanismen daarbij een rol spelen. Centraal staan drie samenhangende principes:
    vermeniging door satellietsturing,
    parallelle versterking door synchroniciteit
    en emergentie door vermenging en selectie.
    Samen verklaren zij waarom regieloze strategieën een sturingsbereik kunnen ontwikkelen dat groter is dan elke centrale interventie.

    6.1 Satellietsturing: van ontvanger naar zender

    Een eerste mechanisme dat door alle drie de strategieën wordt geactiveerd, is wat kan worden aangeduid als satellietsturing. Actor(en) die een glimmertje, ei of kleefzaadje oppakken, blijven niet beperkt tot toepassing in hun eigen context. Zij worden zelf adressant van anderen.

    Zodra een actor een element integreert in beleid, dienstverlening, producten, werkwijzen of communicatie, gaat dat element circuleren via andere netwerken: klanten, burgers, professionals, ketenpartners, toezichthouders of gebruikers. Wat ooit begon als een impuls van een overheid, reist vervolgens verder via actoren die formeel geen uitvoerder zijn, maar wel bereik hebben.

    Dit vergroot het sturingsbereik zonder opschaling, zonder campagne en zonder centrale coördinatie.De overheid hoeft niets te herhalen of uit te rollen; het systeem doet dat zelf. Satellietsturing is daarmee geen vermenigvuldiging in kwantitatieve zin, maar een kwalitatieve verschuiving: invloed wordt gedistribueerd.

    6.2 Synchroniciteit: gelijktijdigheid zonder afstemming

    Satellietsturing verklaart verspreiding, maar niet waarom effecten soms plotseling en breed zichtbaar worden. Daarvoor is een tweede principe cruciaal: synchroniciteit.

    Teisman beschrijft dat maatschappelijke verandering in multi-actorcontexten vaak niet ontstaat door opschaling of centrale regie, maar doordat actoren parallel reageren op vergelijkbare spanningen, kansen en prikkels binnen een gedeelde institutionele omgeving [1][2].

    Synchroniciteit betekent hier niet toeval, en ook niet dat actoren hetzelfde doen of hetzelfde bedoelen. Het gaat om gelijktijdigheid zonder afstemming.
    Actoren kennen elkaar niet noodzakelijk, stemmen niet af en handelen niet volgens een gezamenlijk plan. Toch bewegen zij in een vergelijkbare richting, omdat zij opereren binnen vergelijkbare omstandigheden: regelgeving, maatschappelijke druk, professionele normen of probleemervaringen.

    Juist doordat er geen centrale regie is, kunnen deze processen zich tegelijk en ongehinderd ontvouwen. De kracht zit niet in versnelling langs één keten, en ook niet in exponentiële groei, maar in parallelisatie: veel kleine verschuivingen die tegelijk plaatsvinden en elkaar daardoor versterken op systeemniveau.

    6.3 Synchroniciteit per strategie

    Hoewel de drie strategieën verschillend werken, activeren zij elk dit paralleliserende principe — zij het op een andere manier.

    Bij de eksterstrategie ontstaat synchroniciteit wanneer verschillende actoren gelijktijdig worden aangesproken door vergelijkbare glimmertjes. Zij selecteren elk datgene wat voor hén aantrekkelijk of bruikbaar is en verwerken dit op hun eigen manier. Juist doordat die toe-eigening contextspecifiek is, ontstaan op meerdere plekken tegelijk uiteenlopende toepassingen die samen een bredere beweging vormen.

    Bij de koekoekstrategie treedt synchroniciteit op wanneer meerdere zorgvuldig gekozen actoren onafhankelijk van elkaar besluiten een vergelijkbaar ‘ei’ te adopteren. Niet omdat zij dat samen hebben afgesproken, maar omdat het ‘ei’ op verschillende plekken helpt omgaan met eigen strategische onzekerheden. Het ‘ei’ wordt telkens opnieuw geïnterpreteerd en ingebed in bestaande strategieën, waardoor parallelle maar verschillende vertalingen ontstaan.

    Bij de kleefkruidstrategie ontstaat synchroniciteit doordat vergelijkbare impulsen — woorden, beelden, formuleringen of handelingsopties — op veel plekken tegelijk opduiken in formulieren, interfaces, routines en taalgebruik. De betekenis is niet uniform, maar de herhaalde aanwezigheid ervan doet verwachtingen en vanzelfsprekendheden verschuiven.

    6.4 Emergentie door vermenging: meer dan overdracht

    Emergentie ontstaat niet doordat ideeën, normen of handelingsperspectieven simpelweg worden overgenomen. Zij ontstaat doordat actoren deze elementen vermengen met bestaande praktijken, routines, belangen en verantwoordelijkheden.

    Wat wordt opgepakt, verandert van karakter. Het krijgt een andere functie, een nieuwe betekenis en een andere vorm dan oorspronkelijk bedoeld. Dit is geen implementatie, maar transformatie.

    Zoals Teisman benadrukt,ontstaat systeemverandering niet doordat componenten veranderen, maar doordat relaties tussen componenten verschuiven [3]. Het effect zit dus niet in het glimmertje, het ei of het zaadje zelf, maar in de nieuwe verbindingen die binnen actoren ontstaan.

    6.5 Selectie buiten de actor: verschuivend sturingsbereik

    Daarmee stopt de werking niet. Wat actoren maken van een glimmertje, ‘ei’ of kleefzaadje wordt vervolgens blootgesteld aan externe selectie.

    Institutionele actoren vertalen deze elementen naar diensten, producten, werkwijzen of narratieven. Die vertalingen worden daarna geselecteerd — of verworpen — door klanten, burgers, financiers,toezichthouders, professionals of gebruikers. Hierdoor ontstaat een tweelaags sturingsbereik:

    • Direct beïnvloede actoren,
      wier denken en handelen verandert
      door adoptie en vermenging.
    • Indirect beïnvloede actoren,
      die via gebruik, marktwerking,
      legitimiteit of vertrouwen bepalen
      welke vertalingen standhouden.

    De maatschappelijke werking ontstaat daarmee niet in één stap, maar in een keten van
    toe-eigening, vertaling en selectie.

    6.6 Emergentie als parallel en relationeel systeemfenomeen

    Emergentie in regieloze strategieën is geen optelsom van gedragingen en geen kwestie van schaalvergroting. Zij ontstaat uit parallelle processen, relationele herordening en meervoudige selectie.

    Juist doordat de overheid gezien de kenmerken van maatschappelijke vraagstukken geen centrale regie kan voeren, ontstaat ruimte voor variatie, interpretatie en gelijktijdigheid. Dat maakt synchroniciteit mogelijk — en daarmee een sturingsbereik
    dat groter is dan elke hiërarchische interventie ooit zou kunnen realiseren.

    7. Discussie: effectiviteit, ethiek en grenzen van regieloze beïnvloeding

    De kracht van regieloze strategieën ligt in hun vermogen om aan te sluiten bij bestaande maatschappelijke dynamiek. Door niet te sturen via instructie of dwang, maar via selectie, adoptie en normalisering, vergroten zij de kans op duurzame werking in een robuuste, systeemachtige samenleving. Tegelijkertijd schuilt in deze kracht ook hun kwetsbaarheid. Juist omdat beïnvloeding indirect, contextueel en vaak onzichtbaar is, vervaagt de grens tussen uitnodiging en manipulatie.

    Deze spanning is uitvoerig geanalyseerd in de literatuur over indirecte gedragsbeïnvloeding. Pelle Guldborg Hansen en Jespersen (2013) laten zien dat beïnvloeding normatief problematisch kan worden wanneer zij inspeelt op onbewuste processen, asymmetrische informatieposities of beperkte reflectieruimte van burgers, zonder dat daar transparantie, proportionaliteit en publieke verantwoording tegenover staan[13]. Hoewel de ekster-, koekoek- en kleefkruidstrategie niet als nudges zijn ontworpen en niet vertrekken vanuit gedragssturing op individueel niveau, zijn de door Hansen geformuleerde ethische criteria ook hier relevant. De kernvraag is niet of beïnvloeding plaatsvindt, maar onder welke voorwaarden zij maatschappelijk legitiem is.

    Dit leidt tot een aantal fundamentele spanningsvelden. Ten eerste het spanningsveld tussen verleiding en manipulatie. De strategieën maken bewust gebruik van aantrekkingskracht, betekenisgeving en normalisering. Dat is legitiem zolang actoren keuzevrijheid behouden en beïnvloeding niet structureel buiten het reflectieve vermogen van betrokkenen plaatsvindt. Met name de kleefkruidstrategie, die werkt via herhaling en nabijheid, roept hier kritische vragen op: wanneer wordt normalisering sluipende sturing?

    Ten tweede is er het spanningsveld tussen autonomie en onbewuste beïnvloeding. Regieloze strategieën versterken het gevoel van eigenaarschap, maar kunnen tegelijkertijd gedrag en opvattingen beïnvloeden zonder expliciete instemming of bewustzijn. Hansen en Jespersen benadrukken dat juist deze combinatie — effectiviteit zonder zichtbaarheid — een bijzondere verantwoordelijkheid legt bij de sturende actor. Dit raakt direct aan democratische en rechtsstatelijke beginselen, zeker wanneer de overheid bewust kiest voor beïnvloedingsvormen die zich aan expliciete besluitvorming onttrekken.

    Ten derde is er het spanningsveld tussen publieke waarde en beleidsreputatie. Zoals Bryson betoogt, zijn strategieën gericht op stakeholderbeïnvloeding nooit waardevrij: de keuze wie wordt beïnvloed, via welke mechanismen en met welk doel, is inherent normatief en politiek[4]. Regieloze strategieën kunnen publieke waarde mobiliseren, maar ook worden ingezet om een bepaald probleemframe dominant te maken (framing), om slechts een beperkt deel van mogelijke kwesties of perspectieven zichtbaar te houden (selectieve agendering), of om schijnbaar spontane maatschappelijke steun te organiseren die in werkelijkheid strategisch is georkestreerd (astroturfing). In die gevallen verschuift beïnvloeding van uitnodiging naar manipulatie.

    Daarnaast moet worden onderkend dat regieloze strategieën geen garantie bieden op succes. Hun effecten zijn per definitie onzeker, diffuus en niet volledig herleidbaar tot afzonderlijke interventies. Dit is geen tekortkoming, maar een logisch gevolg van het systeemdenken dat eraan ten grondslag ligt. Tegelijkertijd maakt deze onzekerheid evaluatie en verantwoording complex. Wanneer effecten emergent zijn en zich pas op langere termijn manifesteren, rijst de vraag waarvoor en waarop de overheid precies aanspreekbaar is.

    Het metagovernance-perspectief impliceert daarom een verschuiving van verantwoordelijkheid, maar geen afwezigheid ervan. De overheid blijft verantwoordelijk, ook wanneer zij geen directe regie voert. Verantwoording verschuift van uitvoering en naleving naar ontwerpkeuzes: de gekozen strategie, de aannames over gedrag en betekenisgeving, en de waarden die in de context worden verankerd. In de termen van Hansen betekent dit dat niet de uitkomst, maar de rechtvaardiging van de beïnvloedingsarchitectuur centraal komt te staan. Loslaten betekent in deze benadering niet vrijblijvendheid, maar het accepteren van onzekerheid als inherent onderdeel van maatschappelijke beïnvloeding.

    Vragen voor vervolgonderzoek

    1. Effectiviteit en combinatie. Onder welke omstandigheden versterken de drie strategieën elkaar, en wanneer werken zij elkaar tegen? Zijn er herkenbare sequenties waarin ekster-, koekoek- en kleefkruidstrategieën elkaar opvolgen?
    2. Ethiek en legitimiteit. Hoe kunnen criteria als transparantie, proportionaliteit en autonomie worden geoperationaliseerd voor regieloze strategieën zonder hun werking te ondermijnen?
    3. Verantwoording en evaluatie. Welke evaluatie- en verantwoordingsvormen zijn passend bij strategieën waarvan effecten emergent, diffuus en langdurig zijn?
    4. Actorperceptie. Hoe ervaren betrokken actoren deze vormen van beïnvloeding zelf? Worden zij ervaren als ondersteuning, manipulatie of als legitieme contextvorming?
    5. Institutionele grenzen. In hoeverre zijn bestaande juridische, democratische en bestuurlijke kaders toegerust op vormen van metasturing die expliciet afzien van directe regie?

    Door deze vragen expliciet te maken, wordt duidelijk dat regieloze strategieën geen technocratische oplossing bieden voor maatschappelijke complexiteit, maar een uitnodiging vormen tot bestuurlijke volwassenheid: het vermogen om invloed uit te oefenen zonder beheersingsillusies, en verantwoordelijkheid te nemen zonder volledige controle.

    8. Conclusie

    Dit artikel heeft betoogd dat maatschappelijke beïnvloeding in hedendaagse samenlevingen vraagt om een fundamentele heroriëntatie op sturing. Maatschappelijke vraagstukken manifesteren zich als voor de overheid complexe, robuuste en emergente systemen die niet onder centrale regie zijn ontstaan en zich ook niet laten oplossen via lineaire interventies. In een dergelijke context schiet het klassieke streven naar beheersing, controle en maakbaarheid tekort. Effectieve beïnvloeding vergt geen intensivering van regie, maar een betere aansluiting op de dynamiek van het systeem zelf.

    De eksterstrategie, koekoekstrategie en kleefkruidstrategie zijn gepresenteerd als drie regieloze metastrategieën die deze benadering concreet maken. Waar de eksterstrategie inzet op vrijwillige toe-eigening via verleiding en aantrekkingskracht, activeert de koekoekstrategie sleutelactoren via gerichte adoptie en strategische herdefinitie, en verankert de kleefkruidstrategie verandering via herhaling, nabijheid en normalisering.

    Samen vormen deze strategieën geen losse interventies of technocratische instrumenten, maar een samenhangend repertoire dat recht doet aan de kernkenmerken van de samenleving als systeem: emergentie, robuustheid en gedeelde verantwoordelijkheid. Zij erkennen expliciet dat maatschappelijke verandering niet wordt gemaakt, maar ontstaat uit het samenspel van vele actoren, en dat beïnvloeding alleen duurzaam kan zijn wanneer zij deze logica respecteert. Daarmee vragen zij om het loslaten van de illusie van centrale regie, zonder het nemen van verantwoordelijkheid te ontlopen.

    Tegelijkertijd maakt de analyse duidelijk dat regieloze strategieën geen waardevrije of risicoloze benaderingen zijn. Juist omdat zij indirect, contextueel en vaak onzichtbaar werken, vergen zij expliciete ethische reflectie, transparantie over intenties en verantwoording over de gekozen ontwerpprincipes. Metasturing ontslaat de overheid niet van verantwoordelijkheid, maar herdefinieert haar: niet langer primair als uitvoerder of regisseur, maar als contextarchitect die publieke waarde faciliteert in een gedeelde machtsomgeving.

    In een samenleving die niet onder centrale regie is ontstaan, is deze benadering geen zwaktebod, maar een realistische en verantwoordelijke vorm van sturing. Niet meer controle, maar betere aansluiting. Niet oplossen, maar condities scheppen. Niet beheersen, maar meebewegen. Wie maatschappelijke verandering wil beïnvloeden, moet bereid zijn het systeem serieus te nemen — en zichzelf daarin te zien als één van de vele actoren die, gezamenlijk en zonder beheersingsillusies, richting geven aan wat ontstaat.

PDF

Deel deze pagina:

Voorbeeld 2 — Politieke belofte-economie

Complexiteitsreductie, maakbaarheidsdenken, en post-hoc externalisering

Een BBB-essay schetst een overheid die structureel te veel belooft en beleid opstapelt vanuit de aanname van volledige maakbaarheid. Dat uit zich in beleid dat tegelijk rechtvaardig, waterdicht én foutloos moet zijn — van de toeslagenwet tot stikstofaanpak en migratieregels. De aanname dat elk maatschappelijk probleem via regels, ICT en controle kan worden opgelost, is een klassiek voorbeeld van Fantaseren over Presteren (FOP-vóór). Ambitie en instrumenten worden overschat; uitvoerbaarheid en neveneffecten onderschat.

Wanneer de werkelijkheid die belofte inhaalt, volgt de tweede fase: F*ck Our Promises (FOP-ná). Mislukkingen worden toegeschreven aan onvoorziene omstandigheden, Europese regels of personeelstekorten. Factoren die al bij aanvang bekend waren, maar pas achteraf worden aangevoerd als verklaring. Zo verandert overschatting in overmacht, en blijft de illusie van bestuurlijke beheersing intact.

  • Fop vóór: geloof in totale maakbaarheid en bestuurlijke beheersing.
  • FOP-ná: verschuiving van verantwoordelijkheid naar omstandigheden buiten het systeem.

Voorbeeld 2 — Woningbouwimpuls: trage realisatie

Ambitie vs. uitvoerbaarheid

De Woningbouwimpuls moest de bouw van nieuwe woningen versnellen met substantiële middelen en duidelijke volume-ambities. In de praktijk bleken businesscases, vergunningstrajecten en randvoorwaarden (stikstof, netcongestie, grondpositie) bepalend voor tempo en haalbaarheid. De geprojecteerde versnelling bleek daardoor minder maakbaar dan vooraf voorgesteld.

  • Vooraf: Versnelling woningbouw met substantiële middelen en aantallen.
  • Achteraf: Vertraagde uitwerking; externe randvoorwaarden als hoofdoorzaak genoemd.

Voorbeeld 3 — Noord-Holland: woningbouw vertraagd

Externe belemmeringen als verklaring

Ambitieuze regionale woningbouwplannen lopen vast op natuurvergunningen (stikstof) en netcongestie. Een aanzienlijk deel van de geplande woningen ligt in of nabij Natura2000-gebieden, met extra procedures en langere doorlooptijden tot gevolg. Zo worden vertragingen vooral aan externe regels en capaciteit gekoppeld, terwijl de initiële maakbaarheid aannames bleek te optimistisch was.

  • Vooraf: Versnellen woningbouw in diverse gemeenten.
  • Achteraf: Stikstof- en netcongestieregels als dominante vertragingsoorzaken.

Voorbeeld 4 — Afval Energie Bedrijf Amsterdam: “de stilte voor het stilleggen”

Organisatorische FOP & symboliek

Jarenlang overheerste vertrouwen in continuïteit en performance. In 2019 werden 4 van de 6 verbrandingslijnen van afval stilgelegd en was noodsteun nodig.
De onderzoekscommissie schetst onderschatting van risico’s, gebrekkige signalering en een “run-until-fail”-logica: prestaties werden verondersteld tot het tegendeel zich voordeed, waarmee de illusie van controle zichtbaar werd.

  • Vooraf: Optimistische aannames over productie en financiën.
  • Achteraf: Problemen geduid als “onvoorziene” technische/operationele factoren.

Voorbeeld 5 — Overheids-ICT: structureel te optimistisch

Planningsfout & illusie van controle

Grote ICT-projecten laten herhaaldelijk hogere kosten en langere doorlooptijden zien dan begroot. In de planfase wordt technische complexiteit onderschat en wordt gestuurd op strakke deadlines en businesscases; in de verantwoording worden overschrijdingen toegeschreven aan marktomstandigheden, schaarste of veranderende eisen. Klassiek terrein voor de planning fallacy en de illusie van controle.

  • Vooraf: Strakke planning en rooskleurige businesscases.
  • Achteraf: Overschrijdingen verklaard met complexiteit, markt en krapte.

Voorbeeld 6 — Infrastructuur: terugkerende overschrijdingen

Systemisch patroon

Onderzoek laat zien dat grote infrastructuurprojecten in Nederland stelselmatig te optimistisch worden begroot. Om besluitvorming te halen, worden kosten en tijd vaak laag/strak ingeschat; later worden externe factoren (prijsstijgingen, bodemgesteldheid, procedures) als verklaring gebruikt. Het patroon is consistent met FOP-mechanismen van overschatting en symbolische sturing.

  • Vooraf: Optimistische kosten/tijd-inschattingen om besluitvorming te halen.
  • Achteraf: Externe markt/regelgevingsfactoren als verklaring voor overschrijdingen.

Voorbeeld 7 — Verantwoording met externe factoren

“F*ck Our Promises”-fase

In verantwoordingsdocumenten worden geopolitieke gebeurtenissen (oorlog, handelsconflicten), pandemieën of internationale spanningen frequent genoemd als omstandigheden die prestaties hebben beïnvloed. Dat is vaak terecht, maar ook een handige verklaring voor gemiste doelen als de oorspronkelijke aannames te rooskleurig waren. Zo verschuift de aandacht van overschatting naar overmacht.

  • Vooraf: Ambities zonder robuuste “wat-als”-scenario’s.
  • Achteraf: Externe shocks als belangrijkste reden voor uitblijven van resultaten.

Voorbeeld 8 — Leeghwaterbrug: structureel optimisme

FOP bij infrastructuur

De vervanging van de Leeghwaterbrug (Alkmaar) begon als moderniseringsproject met strakke planning en bestuurlijk vertrouwen. De oplevering in 2021 bleek onhaalbaar door onderschatting van technische complexiteit, vergunningen en aanbestedingsproblemen. Het project liep jaren uit en werd substantieel duurder — met externe oorzaken (markt, regelgeving) als dominante verklaring.

  • Vooraf: Strakke planning; hoge geloof in beheersbaarheid.
  • Achteraf: Vertraging/meerwerk toegeschreven aan marktpartijen en regelgeving.

Voorbeeld 9 — Natuurnetwerk Nederland: beleid groter dan realiteit

Structurele FOP in natuurbeleid

Het NNN moest in 2027 resulteren in aaneengesloten natuurgebieden. De doelstelling bleek te ambitieus: grondverwerving stokte, middelen waren ontoereikend en vergunningprocedures vertraagden de voortgang. De ambitie was groter dan de uitvoeringsrealiteit, terwijl verantwoording de nadruk legde op externe belemmeringen.

  • Vooraf: Planmatige realisatie van natuurdoelen verondersteld.
  • Achteraf: Tekort aan middelen en grondtoegang; externe factoren benadrukt.

Voorbeeld 10 — Wethouder: Persoonlijke resonantie als hefboom voor urgentie

Aansluiten op persoonlijke gevoeligheden

Vooraf
De wethouder ziet dementiebeleid primair als een langetermijnvraagstuk. Belangrijk, maar structureel complex, kostbaar en moeilijk stuurbaar. In discussies benadrukt hij realisme: verwachtingen temperen, geen beloften doen die niet waargemaakt kunnen worden, focus op wat uitvoerbaar is binnen bestaande kaders. Dementie is “ingrijpend”, maar beleidsmatig niet urgent ten opzichte van andere dossiers.

Kantelpunt
Wanneer zijn moeder dementie krijgt, verschuift het perspectief. Niet door nieuwe cijfers of rapporten, maar door directe confrontatie met wachttijden, versnipperde verantwoordelijkheden en het verschil tussen beleidslogica en leefwereld.

Achteraf
In latere beleidsafwegingen spreekt hij anders. Dementie is geen abstract zorgthema meer, maar een structuurprobleem dat nú ingrijpt in levens van burgers. Niet alles is maakbaar, maar niets doen is geen neutrale optie. Urgentie ontstaat — niet omdat het probleem groter is geworden, maar omdat het nabijer is gekomen.

Kerninzicht
De inhoud van het beleid verandert nauwelijks; de weging ervan wel. Urgentie blijkt geen functie van feiten alleen, maar van betekenis.

Referenties

  • Argyris, C., & Schön, D. (1978). Organizational Learning: A Theory of Action Perspective. Addison-Wesley.
  • Blau, P. M. (1964). Exchange and power in social life. New York: Wiley.
  • Bovens, M., & ’t Hart, P. (2016). Understanding Policy Fiascoes. Routledge.
  • Edmondson, A. C. (1999). Psychological safety and learning behavior in work teams. Administrative Science Quarterly, 44(2), 350–383.
  • Faber, W., Van Nunen, A. (2002). Het ei van Columbo? Evaluatie van het project Financieel Rechercheren. Faber organisatievernieuwing.
  • Faber, W., Van Nunen, A., & la Roi, C. (2009). Bijzonder zijn ze allemaal. Vergelijkend onderzoek naar reguliere en bijzondere opsporing. Politie & Wetenschap.
  • Faber, W.(2010). Geboeid door de keten. College dictaat Organisatieadviesprocessen. Universiteit van Amsterdam.
  • Hansen, P. G., & Jespersen, A. M. (2013). Nudge and the manipulation of choice. European Journal of Risk Regulation, 4(1), 3–28.
  • Hart, W. (2013), Verdraaide organisaties. Terug naar de bedoeling. Vakmedianet
  • Kahneman, D. (2011). Thinking, Fast and Slow. The New Yorker.
  • Kahneman, D., & Tversky, A. (1979). Intuitive prediction: Biases and corrective procedures. Management Science, 12(3), 313–327.
  • Klein, G. (2007). Performing a project premortem. Harvard Business Review, 85(9), 18–19.
  • Koppenjan, J., & Klijn, E.-H. (2004). Managing Uncertainties in Networks: A Network Approach to Problem Solving and Decision Making. Routledge.
  • Kruger, J., & Dunning, D. (1999). Unskilled and unaware of it: How difficulties in recognizing one’s own incompetence lead to inflated self-assessments. Journal of Personality and Social Psychology, 77(6), 1121–1134.
  • Langer, E. J. (1975). The illusion of control. Journal of Personality and Social Psychology, 32(2), 311–328.
  • Luhmann, N. (1984). Soziale Systeme. Frankfurt am Main: Suhrkamp.
  • Meyer, J. W., & Rowan, B. (1977). Institutionalized organizations: Formal structure as myth and ceremony. American Journal of Sociology, 83(2), 340–363.
  • Miller, D. T., & Ross, M. (1975). Self-serving biases in the attribution of causality. Psychological Bulletin, 82(2), 213–225.
  • Morrison, E. W., & Milliken, F. J. (2000). Organizational silence: A barrier to change and development in a pluralistic world. Academy of Management Review, 25(4), 706–725.
  • Sharot, T. (2011). The optimism bias. Current Biology, 21(23), R941–R945.
  • Senge, P. M. (1990). The Fifth Discipline: The Art and Practice of the Learning Organization. Doubleday.
  • Thaler, R. H., & Sunstein, C. R. (2008). Nudge: Improving Decisions About Health, Wealth, and Happiness. Yale University Press.
  • Weick, K. E. (1995). Sensemaking in Organizations. Sage Publications.
  • Thaler, R. H., & Sunstein, C. R. (2008). Nudge: Improving Decisions About Health, Wealth, and Happiness. Yale University Press.
  • Kingdon, J. W. (1984). Agendas, Alternatives, and Public Policies. Little, Brown.
  • March, J. G., & Olsen, J. P. (1998). The institutional dynamics of international political orders. International Organization, 52, 943–969.

Citatie voor dit artikel:

Faber, W. (2026). Maatschappelijke sturing in een robuuste samenleving Retrieved [insert date] from AVMI: https://avmi.ont.stuurlui.dev/artikel/FOP/